zondag 29 september 2019

Locked Classroom Mystery

“Goedemorgen, mevrouw.”

“Goedemorgen, Nina. Wat ben je vroeg vandaag! De les begint pas over een kwartier.”

“Ik dacht dat ik me verslapen had en toen heb ik heel hard gefietst, maar toen bleek dat ik gewoon niet goed op de klok had gekeken.”

“Nou, kom dan maar snel in het lokaal zitten om uit te rusten.”

Ik draai de deur van mijn lokaal van het slot, trek de klink naar beneden, duw tegen de deur en… niks. De deur beweegt geen millimeter. Ik draai het slot dicht en vervolgens opnieuw open om er zeker van te zijn dat het daar niet aan ligt, maar de deur blijft gesloten. Ik duw er wat harder tegen aan. Weer gebeurt er niets.

“Hé mevrouw, er staan tafels voor de deur.”

Nina wijst op het 15 centimeter-brede verticale raampje dat over bijna de gehele lengte van de deur loopt. Aan de andere kant van het glas zijn twee leerlingtafeltjes zichtbaar. Normaal gesproken staan die tafeltjes zo opgesteld dat er tussen de voorkant van het schrijfblad en de zijkant van de deurpost nog twee handbreedtes aan ruimte over is. Deze ochtend staan de tafeltjes echter pontificaal midden voor de deur geparkeerd.

Ineens heb ik een flashback naar Arthur Conan Doyle, de Britse schrijver die wereldberoemd is geworden met zijn verhalen over de briljante detective Sherlock Holmes. Een van de dingen waar Doyle vooral geliefd om was, was zijn vaardigheid om zeer complexe locked room mysteries te schrijven. Een locked room mystery is een verhaal waarbij er in een afgesloten kamer, die van buitenaf niet zomaar geopend kan worden, een lijk wordt aangetroffen. Vervolgens is het aan een detective om uit te zoeken hoe de moordenaar zijn gruwelijke daad heeft kunnen plegen en vervolgens ongezien de ruimte heeft kunnen verlaten zonder daarbij de deur te gebruiken.

Sherlock Holmes kan zulke mysteries altijd oplossen, soms zelfs binnen enkele minuten. Mij is die helderheid van geest helaas niet gegeven. Hoe langer ik naar mijn lokaaldeur kijk, hoe meer verward ik raak. Immers, hoe is het mogelijk dat er twee tafels – nota bene met aangeschoven stoelen – kaarsrecht tegen de deur aan staan, zonder dat er ook maar één millimeter scheidingsruimte tussen het hout van de deur en het schrijfblad zit, terwijl het lokaal maar één uitgang heeft; en die is overduidelijk niet gebruikt door de stiekeme tafelverschuivers, want met die tafeltjes er voor kan de deur onmogelijk nog open en dicht! Ook de ramen in het lokaal zijn gewoon gesloten. De daders kunnen dus evenmin op die manier zijn ontsnapt. Al lijkt het me sowieso niet waarschijnlijk dat dat gebeurt is, want het lokaal bevindt zich op de tweede verdieping en je moet als leerling wel heel veel toewijding hebben voor je grap wil je bereid zijn om langs de regengoot zes meter naar beneden te klimmen.

“Hoe komen we nu binnen, mevrouw?”

Ik was zo diep in gedachten verzonken dat ik Nina helemaal vergeten was.

“Laten we met z’n tweeën maar gewoon heel hard duwen. Ben je klaar? Drie, twee, één…”

Vijf minuten later zit ik aan mijn bureau en hangt Nina in een stoel bij de verwarming. Hoewel het onopgeloste mysterie van de verschoven tafels nog aan me knaagt, ben ik ergens toch ook wel tevreden over mijn presteren. Ik ben dan misschien geen detective Sherlock Holmes die alle antwoorden paraat heeft, maar vandaag heb ik me wel bewezen als een succesvolle Dokter Watson, de trouwe assistent van Holmes die altijd opdraait voor het regelen van de meer praktische zaken. Ik heb de deur toch maar mooi open gekregen. En mijn les kan ook gewoon op tijd beginnen. Hoezee.

zaterdag 21 september 2019

Oprecht Boos

Ineens stonden ze voor mijn neus. Twee jongens, de één met kort blond haar en de ander met bruine lokken tot net over zijn oren. Het is nog vroeg in het schooljaar, dus hoe ze precies heten kon ik me op dat moment niet herinneren. Wel wist ik dat ze in één van mijn klassen moesten zitten, want anders zouden ze me niet vlak voor het einde van de ochtendpauze komen opzoeken in mijn lokaal. Ik bekeek hun gezichten nog eens goed en had heel sterk het gevoel dat ze in mijn VWO 4-klas zaten. Ik was er praktisch zeker van.

“Mevrouw,” begon de blonde leerling kordaat. Zijn toon klonk niet bepaald vriendelijk. Nu ik er over nadacht was zijn lichaamshouding dat evenmin. Hij hield zijn armen over elkaar geslagen voor zijn buik. Zijn rug was gerecht en zijn kin stak hoog de lucht in. Achter hem stond zijn vriendje met het bruine haar wijdbeens toe te kijken, met zijn handen op de heupen. Dit waren overduidelijk geen leerlingen die langs kwamen voor een praatje of voor het antwoord op een vraag. Dit waren twee leerlingen die verhaal kwamen halen.

“Mevrouw,” haalde de blonde leerling nog een keer aan. “Wáárom mogen wij onze toets niet inzien?”

“Toets?”

“Ja, de taalvaardigheidstoets.”

“Oh, je bedoelt die van gisteren? Die je tijdens het achtste uur hebt gemaakt?”

“Ja, die. We hebben er recht op om die toets in te zien.”

“Dat klopt, maar waarom heb je daar zoveel haast bij? Jullie hebben de toets gisteren tussen half drie en kwart over drie gemaakt. Als ik eerlijk ben, vind ik het al heel goed van mezelf dat ik de cijfers gisteren nog voor zes uur in Magister had staan.”

“Ja, máár… ik wil weten wat ik fout had!”

“En ik ook,” roept de jongen met het bruine haar die tot dan toe gezwegen had. “Want… daar worden we slimmer van… en zo.”

Ik doe normaal gesproken altijd mijn best om zo veel mogelijk mee te denken met mijn leerlingen, maar in dit geval kostte het me moeite. Om meegaand te kunnen zijn moet je immers wel weten welke richting de leerlingen op willen – en minstens zo belangrijk, je moet er enig idee van hebben met welke actie je hen precies beledigd hebt waardoor ze nu, bijgevolg, specifiek die kant op willen.

“Het spijt me, jongens, maar ik begrijp het probleem niet zo goed.”

“We vinden het gewoon niet leuk dat u onze toetsen achterhoudt,” protesteerde de blonde leerling opnieuw. Hij leek oprecht boos op me te zijn, al tastte ik nog altijd in het duister over het waarom.

“Achterhoudt? Het is nog niet eens 11 uur! Wanneer had ik jullie vandaag de toets dan moeten laten inzien?”

“Tijdens de les van vanochtend!” klonk het uit twee monden.

In mijn hoofd liep ik razendsnel mijn lesrooster na. “Maar jongens, ik heb jullie vandaag nog geen les gegeven.”

“Wel! Het tweede uur!”

“Nee, echt niet. Het tweede uur had ik een Havo 5-klas. Ik heb jullie vandaag pas na de middagpauze.”

“Maar…,” sputterde de jongen met het bruine haar. Verdwaasd keek zijn blonde klasgenoot naar hem om: “Oh verdorie, het is vandaag woensdag. We hadden het tweede scheikunde.”

Het duo deed er het zwijgen toe en keek mij aan, met ogen zo groot als schoteltjes waaruit alle oprechte boosheid vervlogen was.

“Eh… dan… zien we u straks, mevrouw. Dáág.”

De aftocht werd half rennend en met een knalrood hoofd geblazen.

“En dan kunnen jullie in de les gelijk jullie toetsen inzien. Tot straks!” riep ik ze nog na, maar ze waren de gang al in gevlucht. 

zaterdag 14 september 2019

Komt een Vrouw bij de Jumbo

Bij de kassa staat een mevrouw te rommelen in haar tas. Ze wil betalen met haar pinpas, maar ze kan noch de pas noch de portemonnee waar deze in zou moeten zitten, vinden in de enorme sporttas die ze aan haar schouder heeft hangen. Verveeld leun ik tegen de boodschappen loopband. Op deze manier sta ik hier nog wel een tijdje, want ik ben niet eens de eerstvolgende klant. Tussen mij en de vrouw met de bodemloze sporttas staan nog twee andere personen; een man met een klein, rond brilletje en een vrouw met kort, vuurrood gekruld haar.

Ik kijk om me heen. Ik woon nog niet zo lang in dit dorp, dus ik ben nog niet heel goed bekend met deze supermarkt. Al voelt de winkel ook weer niet geheel onbekend aan. Het blijft toch een Jumbo. Onder de boodschappen loopband hangen gele tassen met het bekende wit-zwarte logo er op. Her en der hangen knalgele decoratie platen en een eindje verderop, naast het specerijenrek, staat een kartonnen uitklapbord van Max Verstappen. Blijkbaar kun je momenteel sparen voor een modelletje van zijn Red Bull.

“Het is ongehoord.” De schelle stem doet me opschrikken uit mijn mijmeringen. Ik kijk naar rechts om te zien waar het geluid vandaan kwam. De vrouw met de immense tas zit gehurkt op de grond en is bezig haar sporttenue uit te laden. Op de vloer naast de kassa liggen al twee T-shirts, een zwart rokje, een met modder besmeurde kniekous en een half natte handdoek met de opdruk “Hi-Ha-Hockey!”. Vragend werp ik een blik op de kassière. Is zij haar geduld verloren met de trage klant? Ik kijk over mijn schouder en zie dat de rij inmiddels is aangezwollen tot acht wachtenden. Het zou kunnen.

“Nee, maar ik zeg je, het is schandalig.” De schelle stem blijkt niet bij de kassière te horen, maar bij de vrouw met het vuurrode krulhaar. Ze staat met haar rug naar de gehurkte hockeyster en kijkt de man met het ronde brilletje streng aan. “Ik kan er gewoon niet bij. En dat wilde dan zomaar bij ons in de straat komen wonen. Het gore lef! Dat gespuis met hoofddoeken heeft hier niets te zoeken. Ze kwamen een huis bekijken aan de overkant, maar ik ben meteen naar die makelaar toe gegaan en ik heb gezegd dat dit echt not done is.”

Hoe langer de vrouw praat, hoe beter de kleur van haar gezicht bij dat van haar haar begint te passen. “Nederland is bedoeld voor Nederlanders. Nederlanders. Als we in dit tempo doorgaan dan zit het hier straks vol met buitenlanders.” Ze trekt er een vies gezicht bij. “Daar moet je toch niet aan denken? Ons mooie kikkerlandje zomaar overwoekert door die… die…” Ze zoekt naar het juiste woord. Zodra ze het vindt, spreekt ze het met zoveel kracht uit dat er een spettertje spuug op het linker glas van de man met de bril belandt. “…terroristen. Nee, niet in mijn dorp. Niet in mijn straat. Oh nee, voor de dooie dood niet.”

De vrouw met de sporttas heeft inmiddels haar portemonnee gevonden. (Hij zat in haar jaszak.) Terwijl ze vlug afrekent en met haar zak zonnebloempitjes de winkel uit snelt, haalt de man met het brilletje kalm een zakdoek uit zijn broekzak en begint zijn brillenglas te poetsen. “De soep wordt nooit zo heet gegeten als hij wordt geserveerd, Ria. Mensen zijn mensen. In iedereen schuilt iets goeds.” “Pah!” puft Ria, terwijl de kassière haar producten aan slaat. “Wacht maar tot ze jouw huis hebben leeg geroofd, dan piep je wel anders.” “Misschien,” zegt de man, terwijl hij zijn bril weer op zijn neus zet, “Maar misschien wordt je straks zelf nog wel verrast.”

“Dat is dan negen euro vijftig,” zegt de kassière. “En hoeveel zegeltjes zijn dat?” gromt Ria en werpt een onvriendelijke blik op de winkelbediende. “Nul zegeltjes, mevrouw. Het spijt me. Voor een zegel moet u tien euro uitgeven.” Het toch al rode gezicht van Ria loopt nu nog sterker aan in kleur. Vergeleken bij haar kapsel lijkt het puntje van haar neus bijna paars. “Hoe durf je?!” schreeuwt ze dwars door de winkel. “Ik, die altijd voor iedereen klaar staat, die altijd het geduld zelve is en die nog nooit voor een ander mens iets anders dan goedheid heeft gevoeld… zó behandelen? Het is een SCHANDAAL.”

Ria smijt een paar losse muntstukken over de toonbank en stompt met haar boodschappen richting de uitgang. Ze laat de man met het brilletje, mijzelf, en de andere mensen in de rij zwijgend achter. Ook de kassière lijkt behoorlijk aangedaan. Ze raapt de muntstukken bij elkaar en bergt ze onder toeziend oog van de voltallige, doodstille wachtrij op in het juiste laatje van de kassa. Langzaam ademt ze een keer diep in en uit. Dan trekt ze met trillende handen het naamkaartje op haar Jumbo shirt, waar in grote letters de naam ‘Zehra’ op staat, recht en kijkt op naar de man met het brilletje. “Goedemiddag, meneer. Spaart u mee voor de acties?”

zaterdag 7 september 2019

Racing for Anthoine


Vandaag een week geleden kwam er rond 17.00h een app bericht binnen op mijn telefoon. Nu is dat op zichzelf niet bijzonder, en al helemaal niet wanneer ik op de Nürburgring sta met een social media pers accreditatie. Toch was dit geen dertien in een dozijn bericht. Het kwam van een vriendin en bij het lezen van haar woorden wist ik direct dat er iets helemaal mis was.

“Normaal stuur ik geen Formule 2 spoilers, maar dit is anders. Er is een groot ongeluk gebeurt op Spa-Francorchamps, bij Eau Rouge. Het is niet duidelijk wie er precies bij betrokken zijn. Hubert en Correa in ieder geval wel. Ze laten er geen beelden van zien en er komt geen herstart.”

Het waren vooral de laatste woorden die me deden beseffen dat het fout zat. Hoe groot een ongeluk ook is, zolang de rommel opgeruimd kan worden voor zonsondergang wordt een race altijd herstart. Een race annuleren om niets meer dan een ongeluk gebeurt slechts om één reden: de politie is door de medische hulpdienst naar het circuit geroepen – en iedere ingewijde in de race wereld weet dat de noodartsen dit alleen doen wanneer een ongeluk een dodelijke afloop heeft of weldra zal krijgen.

Vanaf dat moment was het wachten. Anderhalf uur lang bleef het stil vanuit Spa-Fancorchamps en moesten we hopen dat het allerergste toch niet waar zou blijken te zijn. Anderhalf uur lang vlogen de vragen in het rond. Wie zijn er nu precies gecrasht? Wie zijn er gezond en wel gespot langs de baan? Weet iemand ter plaatse misschien iets over Correa en Hubert? Heeft iemand ze gezien? Is één van hen er daadwerkelijk zo slecht aan toe? En zo ja, wie dan? Wie is het? Wie?


Om 18.35h kwam het verlossende woord dat een einde maakte aan de marteling van het wachten, maar dat ook meteen het begin was van een levende nachtmerrie. Het was Anthoine Hubert. Anthoine had de impact van de crash niet overleefd. Het nieuws sloeg in als een bom. Niet alleen op het circuit van Spa-Francorchamps, waar de Formule 2-paddock het nieuws nauwelijks kon bevatten. Ook op andere circuits hield het nieuws keihard huis. Van Imola in Italië tot Silverstone in Engeland en Portland in de Verenigde Staten, van overal kwamen de steunbetuigingen aan Anthoine’s familie en race team binnen.

Het ongeloof was over de hele wereld groot. Hoe kon dit nu juist gebeuren op een Europees circuit in een Europese race auto? Bijna nergens is racen zo veilig als hier. Op de Nürburgring, dat midden in de Duitse Eifel ligt, begon de race zondag in een onnatuurlijke rust. In de paddock hing een verslagen stilte. Er werd gesproken met zachte stem. Nergens zag ik iemand lachen. Sommige mensen hielden zich vooral rustig uit respect voor de tragedie. Anderen, die Anthoine gekend hadden, liepen er zwijgend bij, omdat er gewoonweg geen woorden waren om te beschrijven wat zij diep van binnen voelden.

Voor mensen die weinig met autosport hebben lijkt deze reactie misschien overtrokken. Een coureur weet toch waar hij aan begint? En iedereen weet toch dat de dood altijd meerijdt, hoe veilig je een race auto ook maakt? Dat is absoluut waar, maar vergeet niet dat een coureur meer is dan alleen een poppetje met een helmpje dat achter het stuur zit.




Anthoine was zich zeer goed bewust van het risico dat hij nam, elke keer als hij zijn vizier dicht klapte en zijn motor startte, maar was van het type coureur dat rust vond in de gedachte dat, als hem ooit iets zou overkomen, hij tenminste zou sterven terwijl hij deed wat hij het allerliefste deed en waar hij niet zonder zou kunnen leven. Dat is niet veel mensen op deze wereld gegeven. In zekere zin zou je het zelfs een voorrecht kunnen noemen. Maar nu dat ‘iets’ hem inderdaad is overkomen, is het belangrijk om ons te realiseren dat niet alleen de Coureur Anthoine weg is, maar ook de Mens Anthoine. Een mens met vrienden, familie, die onderdeel uitmaakte van andere levens en die een impact heeft gehad op zijn omgeving. Een mens die nu een gapend zwart gat achter laat in het bestaan van iedereen die hem gekend heeft; een gat dat zichzelf pas kan gaan dichten wanneer er om gerouwd is. 

Op de Nürburgring waren afgelopen weekend twee goede vrienden van Anthoine aanwezig, beiden zelf ook coureur, en beiden behoorden zij op zondag ochtend tot de categorie mensen die geen woorden hadden om de pijn in hun hart te beschrijven. Waar ze ook gingen, hun ogen bleven permanent rood, een kleur die scherp af stak tegen het blauw van hun opgezwollen oogleden, want van slapen was het waarschijnlijk ook niet gekomen. Toen het tijd was om in hun race auto te stappen, stonden ze er echter allebei. Op tijd. Zo fit als mogelijk. In vol ornaat. Hoe moeilijk het voor hen ook was om plaats te nemen achter het stuur, ze deden het; want, zo zou Anthoine het gewild hebben. Hij zou nooit gewild hebben dat zijn vrienden vanwege hem een race zouden laten schieten. En dus reden zijn vrienden mee, omdat racen ondanks hun verdriet het grootste eerbetoon was dat ze aan hun gevallen vriend konden brengen.


Vanuit een hoekje van de pitbox stond ik er bij te kijken toen één van Anthoine’s vrienden zichzelf in zijn auto hees. Het is een schouwspel dat ik niet snel zal vergeten. Nog nooit eerder zag ik zóveel vastberadenheid in ogen vervuld van zó’n groot verdriet. Toch gaf het hartverscheurende tafereel me ergens ook hoop. Ik heb Anthoine gekend toen hij nog in de Formule 3 reed. Hij was een rustige, bijna verlegen jongen, die verrassend open en vriendelijk bleek te zijn wanneer je hem aansprak met een groet of een geïnteresseerde vraag. In tegenstelling tot vele andere autocoureurs had Anthoine geen ego. Hij wist wie hij was, hoefde geen haantje de voorste te zijn en vertrouwde er op dat zijn resultaten eventuele blaaskaken de mond wel zouden snoeren. Met die houding was hij een verfrissende wind in de macho-gedreven race wereld die op veel fronten nog altijd muurvast zit in de jaren zeventig. Als hij het ongeluk op Eau Rouge had overleefd, had Anthoine één van de sleutelfiguren kunnen worden in de culturele ommezwaai die de sport zo hard nodig heeft.

We zijn nu een week verder en het gevoel van verlies blijft groot. Ik denk nog vaak terug aan de keer dat ik een tweet op social media plaatste met de mededeling dat Anthoine het mooiste handschrift had in de autosport en daarmee dus ook de mooiste handtekening. Anthoine liet later weten dat hij in zijn nopjes was met het compliment. Zelf had hij nog nooit echt goed naar zijn handschrift gekeken. Het was ‘gewoon’ zijn handschrift, niets meer, niets minder, net zoals hij nooit meer wilde zijn dan ‘gewoon’ zichzelf. Morgenmiddag om 15.10h rijdt zijn prachtige handtekening mee in de Formule 1 Grand Prix van Italië, op beide zijkanten van de speciale helm van zijn vriend en voormalig huisgenoot Pierre Gasly, die niet alleen wil racen vóór Anthoine, als eerbetoon, maar vooral ook mét Anthoine. Ik hoop dat de helm hem de kracht zal geven om zijn vizier dicht te slaan en te doen wat hij en Anthoine altijd het liefste deden, en wat hen jarenlang samenbond.



Anthoine Hubert is slechts 22 jaar geworden. We zullen hem nooit vergeten.

#RacingForAnthoine #AH19