Bij de kassa staat een mevrouw te rommelen in haar tas. Ze wil betalen met haar pinpas, maar ze kan noch de pas noch de portemonnee waar deze in zou moeten zitten, vinden in de enorme sporttas die ze aan haar schouder heeft hangen. Verveeld leun ik tegen de boodschappen loopband. Op deze manier sta ik hier nog wel een tijdje, want ik ben niet eens de eerstvolgende klant. Tussen mij en de vrouw met de bodemloze sporttas staan nog twee andere personen; een man met een klein, rond brilletje en een vrouw met kort, vuurrood gekruld haar.
Ik kijk om me heen. Ik woon nog niet zo lang in dit dorp, dus ik ben nog niet heel goed bekend met deze supermarkt. Al voelt de winkel ook weer niet geheel onbekend aan. Het blijft toch een Jumbo. Onder de boodschappen loopband hangen gele tassen met het bekende wit-zwarte logo er op. Her en der hangen knalgele decoratie platen en een eindje verderop, naast het specerijenrek, staat een kartonnen uitklapbord van Max Verstappen. Blijkbaar kun je momenteel sparen voor een modelletje van zijn Red Bull.
“Het is ongehoord.” De schelle stem doet me opschrikken uit mijn mijmeringen. Ik kijk naar rechts om te zien waar het geluid vandaan kwam. De vrouw met de immense tas zit gehurkt op de grond en is bezig haar sporttenue uit te laden. Op de vloer naast de kassa liggen al twee T-shirts, een zwart rokje, een met modder besmeurde kniekous en een half natte handdoek met de opdruk “Hi-Ha-Hockey!”. Vragend werp ik een blik op de kassière. Is zij haar geduld verloren met de trage klant? Ik kijk over mijn schouder en zie dat de rij inmiddels is aangezwollen tot acht wachtenden. Het zou kunnen.
“Nee, maar ik zeg je, het is schandalig.” De schelle stem blijkt niet bij de kassière te horen, maar bij de vrouw met het vuurrode krulhaar. Ze staat met haar rug naar de gehurkte hockeyster en kijkt de man met het ronde brilletje streng aan. “Ik kan er gewoon niet bij. En dat wilde dan zomaar bij ons in de straat komen wonen. Het gore lef! Dat gespuis met hoofddoeken heeft hier niets te zoeken. Ze kwamen een huis bekijken aan de overkant, maar ik ben meteen naar die makelaar toe gegaan en ik heb gezegd dat dit echt not done is.”
Hoe langer de vrouw praat, hoe beter de kleur van haar gezicht bij dat van haar haar begint te passen. “Nederland is bedoeld voor Nederlanders. Nederlanders. Als we in dit tempo doorgaan dan zit het hier straks vol met buitenlanders.” Ze trekt er een vies gezicht bij. “Daar moet je toch niet aan denken? Ons mooie kikkerlandje zomaar overwoekert door die… die…” Ze zoekt naar het juiste woord. Zodra ze het vindt, spreekt ze het met zoveel kracht uit dat er een spettertje spuug op het linker glas van de man met de bril belandt. “…terroristen. Nee, niet in mijn dorp. Niet in mijn straat. Oh nee, voor de dooie dood niet.”
De vrouw met de sporttas heeft inmiddels haar portemonnee gevonden. (Hij zat in haar jaszak.) Terwijl ze vlug afrekent en met haar zak zonnebloempitjes de winkel uit snelt, haalt de man met het brilletje kalm een zakdoek uit zijn broekzak en begint zijn brillenglas te poetsen. “De soep wordt nooit zo heet gegeten als hij wordt geserveerd, Ria. Mensen zijn mensen. In iedereen schuilt iets goeds.” “Pah!” puft Ria, terwijl de kassière haar producten aan slaat. “Wacht maar tot ze jouw huis hebben leeg geroofd, dan piep je wel anders.” “Misschien,” zegt de man, terwijl hij zijn bril weer op zijn neus zet, “Maar misschien wordt je straks zelf nog wel verrast.”
“Dat is dan negen euro vijftig,” zegt de kassière. “En hoeveel zegeltjes zijn dat?” gromt Ria en werpt een onvriendelijke blik op de winkelbediende. “Nul zegeltjes, mevrouw. Het spijt me. Voor een zegel moet u tien euro uitgeven.” Het toch al rode gezicht van Ria loopt nu nog sterker aan in kleur. Vergeleken bij haar kapsel lijkt het puntje van haar neus bijna paars. “Hoe durf je?!” schreeuwt ze dwars door de winkel. “Ik, die altijd voor iedereen klaar staat, die altijd het geduld zelve is en die nog nooit voor een ander mens iets anders dan goedheid heeft gevoeld… zó behandelen? Het is een SCHANDAAL.”
Ria smijt een paar losse muntstukken over de toonbank en stompt met haar boodschappen richting de uitgang. Ze laat de man met het brilletje, mijzelf, en de andere mensen in de rij zwijgend achter. Ook de kassière lijkt behoorlijk aangedaan. Ze raapt de muntstukken bij elkaar en bergt ze onder toeziend oog van de voltallige, doodstille wachtrij op in het juiste laatje van de kassa. Langzaam ademt ze een keer diep in en uit. Dan trekt ze met trillende handen het naamkaartje op haar Jumbo shirt, waar in grote letters de naam ‘Zehra’ op staat, recht en kijkt op naar de man met het brilletje. “Goedemiddag, meneer. Spaart u mee voor de acties?”
Ik kijk om me heen. Ik woon nog niet zo lang in dit dorp, dus ik ben nog niet heel goed bekend met deze supermarkt. Al voelt de winkel ook weer niet geheel onbekend aan. Het blijft toch een Jumbo. Onder de boodschappen loopband hangen gele tassen met het bekende wit-zwarte logo er op. Her en der hangen knalgele decoratie platen en een eindje verderop, naast het specerijenrek, staat een kartonnen uitklapbord van Max Verstappen. Blijkbaar kun je momenteel sparen voor een modelletje van zijn Red Bull.
“Het is ongehoord.” De schelle stem doet me opschrikken uit mijn mijmeringen. Ik kijk naar rechts om te zien waar het geluid vandaan kwam. De vrouw met de immense tas zit gehurkt op de grond en is bezig haar sporttenue uit te laden. Op de vloer naast de kassa liggen al twee T-shirts, een zwart rokje, een met modder besmeurde kniekous en een half natte handdoek met de opdruk “Hi-Ha-Hockey!”. Vragend werp ik een blik op de kassière. Is zij haar geduld verloren met de trage klant? Ik kijk over mijn schouder en zie dat de rij inmiddels is aangezwollen tot acht wachtenden. Het zou kunnen.
“Nee, maar ik zeg je, het is schandalig.” De schelle stem blijkt niet bij de kassière te horen, maar bij de vrouw met het vuurrode krulhaar. Ze staat met haar rug naar de gehurkte hockeyster en kijkt de man met het ronde brilletje streng aan. “Ik kan er gewoon niet bij. En dat wilde dan zomaar bij ons in de straat komen wonen. Het gore lef! Dat gespuis met hoofddoeken heeft hier niets te zoeken. Ze kwamen een huis bekijken aan de overkant, maar ik ben meteen naar die makelaar toe gegaan en ik heb gezegd dat dit echt not done is.”
Hoe langer de vrouw praat, hoe beter de kleur van haar gezicht bij dat van haar haar begint te passen. “Nederland is bedoeld voor Nederlanders. Nederlanders. Als we in dit tempo doorgaan dan zit het hier straks vol met buitenlanders.” Ze trekt er een vies gezicht bij. “Daar moet je toch niet aan denken? Ons mooie kikkerlandje zomaar overwoekert door die… die…” Ze zoekt naar het juiste woord. Zodra ze het vindt, spreekt ze het met zoveel kracht uit dat er een spettertje spuug op het linker glas van de man met de bril belandt. “…terroristen. Nee, niet in mijn dorp. Niet in mijn straat. Oh nee, voor de dooie dood niet.”
De vrouw met de sporttas heeft inmiddels haar portemonnee gevonden. (Hij zat in haar jaszak.) Terwijl ze vlug afrekent en met haar zak zonnebloempitjes de winkel uit snelt, haalt de man met het brilletje kalm een zakdoek uit zijn broekzak en begint zijn brillenglas te poetsen. “De soep wordt nooit zo heet gegeten als hij wordt geserveerd, Ria. Mensen zijn mensen. In iedereen schuilt iets goeds.” “Pah!” puft Ria, terwijl de kassière haar producten aan slaat. “Wacht maar tot ze jouw huis hebben leeg geroofd, dan piep je wel anders.” “Misschien,” zegt de man, terwijl hij zijn bril weer op zijn neus zet, “Maar misschien wordt je straks zelf nog wel verrast.”
“Dat is dan negen euro vijftig,” zegt de kassière. “En hoeveel zegeltjes zijn dat?” gromt Ria en werpt een onvriendelijke blik op de winkelbediende. “Nul zegeltjes, mevrouw. Het spijt me. Voor een zegel moet u tien euro uitgeven.” Het toch al rode gezicht van Ria loopt nu nog sterker aan in kleur. Vergeleken bij haar kapsel lijkt het puntje van haar neus bijna paars. “Hoe durf je?!” schreeuwt ze dwars door de winkel. “Ik, die altijd voor iedereen klaar staat, die altijd het geduld zelve is en die nog nooit voor een ander mens iets anders dan goedheid heeft gevoeld… zó behandelen? Het is een SCHANDAAL.”
Ria smijt een paar losse muntstukken over de toonbank en stompt met haar boodschappen richting de uitgang. Ze laat de man met het brilletje, mijzelf, en de andere mensen in de rij zwijgend achter. Ook de kassière lijkt behoorlijk aangedaan. Ze raapt de muntstukken bij elkaar en bergt ze onder toeziend oog van de voltallige, doodstille wachtrij op in het juiste laatje van de kassa. Langzaam ademt ze een keer diep in en uit. Dan trekt ze met trillende handen het naamkaartje op haar Jumbo shirt, waar in grote letters de naam ‘Zehra’ op staat, recht en kijkt op naar de man met het brilletje. “Goedemiddag, meneer. Spaart u mee voor de acties?”
Geen opmerkingen:
Een reactie posten