maandag 31 januari 2011

Plakband Powerrrrrrrrrrrrrrrrrrr

Afgelopen week werd het Europees kampioenschap kunstschaatsen verreden in het Zwitserse Bern. Eigenlijk had ik vanwege de grote spoed waarmee ik mijn bachelor-werkstuk moet schrijven helemaal geen tijd om naar dit evenement te kijken, maar toch heb ik zo goed en zo kwaad als het ging de hoogtepunten proberen mee te pikken. Nu het EK gisteravond officieel is afgesloten met een gala ter ere van de nieuwe kampioenen, leek het mij leuk om een blogje aan dit sportevenement te wijden. Maar ja, wat moet dan het hoofdonderwerp worden van die tekst? De prachtige korte kür van Kiira Korpi? De herrijzenis van Brian Joubert, die zijn verprutste korte dans goedmaakte met een briljante lange kür? Of toch maar het sprookje van Sarah Meier, die in haar allerlaatste professionele wedstrijd, nota bene in haar eigen land, haar eerste Europese titel binnensleepte?

Uiteindelijk is het geen van deze hoogtepunten geworden. Na lang wikken en wegen heb ik besloten wat woorden vuil te maken aan de bizarre korte kür van Javier Fernandez. Javier, of Javi, is een 19-jarige Spanjaard die flink aan de weg timmert in kunstschaatsland. Zo werd hij al vier keer landskampioen en eindigt hij op internationale wedstrijden steeds vaker in de top tien. Hij kan dus echt wel wat. Toch maakte hij in de aanloop naar het EK een kapitale blunder: hij schatte de houdbaarheid van zijn wedstrijdschaatsen verkeerd in en moest vervolgens vlak voor de start van de Europese Kampioenschappen concluderen dat deze ‘op’ waren. Versleten. Brandhout. Maar ja, toen was het al te laat: er was geen voldoende tijd meer om nieuwe schaatsen in te rijden en Javi had daarom geen andere keus dan het EK te rijden op zijn oude, krakkemikkige wedstrijdijzers.

Dat is een oeps-momentje, zullen we maar zeggen.

Ondanks dit slechte nieuws, liet Javi zich echter niet uit het veld slaan. Integendeel, hij heeft direct drastische maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat zijn schaatsen het intensieve toernooi zouden overleven! Hij is per direct naar de lokale Gamma (ook Spanjaarden kunnen nu eenmaal niet zonder) gegaan om daar een enorme rol… *tromgeroffel*… komt ‘ie… PLAKBAND te kopen.

Toen ik hoorde dat Javi zijn schaatsen bij elkaar probeerde te houden met tape, was ik op z’n zachtst gezegd sceptisch. Plakband. Hoe wanhopig moet je zijn om je te beroepen op een flinterdun laagje plakkend plastic?! Zoiets werkt toch nooit?! Maar… gek genoeg werkte het wel. Althans, het grootste gedeelte van de tijd. Javi overleefde met zijn aan elkaar getapete ijzers de trainingen en de warming-ups, maar moest vlak voor het einde van zijn eerste dans, de korte kür, concluderen dat zijn briljante noodoplossing het had laten afweten. Het plakband was geknapt. Hierdoor veranderde Javi van een gracieuze kunstschaatser in een ongeleid projectiel dat wieberewapskie over het ijs vloog. Voor het oog van de wereld kwam hij daardoor ook nog eens twee keer op vrij onbenullige wijze ten val.

Dat zijn oeps-momentjes nummer twee en drie, wat mij betreft.

Gelukkig is het na deze gênante korte kür nog wel goed gekomen onze plakband-held. Tijdens zijn lange dans heeft Javi zo ontzettend veel tape om zijn schaatsen gedraaid dat het onmogelijk nog kon breken en is hij alsnog naar een mooie 9e plaats gedanst. Mocht je desondanks toch nog medelijden met hem hebben, denk dan maar zo: Javi heeft in ieder geval minder pech gehad dan Joshua Farris, die afgelopen week meedeed aan de Amerikaanse Nationale Kampioenschappen kunstschaatsen. Farris brak tijdens zijn korte kür spontaan zijn enkel en moest onmiddellijk naar het ziekenhuis om de boel te laten spalken. Of daar ook plakband bij gebruikt is, is trouwens niet bekend gemaakt.

zaterdag 29 januari 2011

Platte Humor

Ik ben geen fan van overdreven platte humor. Veel van de grappen uit deze categorie zijn vaak niets meer dan een schot voor een clichématig open doel en in sommige vallen kunnen ze niet eens door de ethische beugel. De cabaretier of grappenmaker die aan komt zetten met een overdosis platte humor, is mij als publiek dan ook al gauw kwijt. Misschien maakt mij dat een flauwe muts, maar dat zij dan maar zo. Ik heb nu eenmaal mijn principes en ik stap daar zelden vanaf.

Desondanks ga ik voor de komedianten uit het hieronder staande youtube-filmpje een uitzondering maken. De humor die zij laten zien in deze korte clip uit het programma Fast & Loose (overigens een productie van de BBC) is zonder enige twijfel ‘plat’ te noemen, maar toch heb ik er smakelijk om gelachen. Vandaar ook dat ik het nu in de blog-categorie ‘meer dan woorden’ aan jullie wil laten zien. Wie weet spreekt deze stijl van grappenmakerij jullie ook wel aan.

Overigens heb ik het filmpje niet zelf gevonden. De link naar dit fragment werd mij via twitter aangereikt door @gewoonlianne, waarvan acte en waarvoor dank!

maandag 24 januari 2011

De Modernisatie Slaat Toe

Gisteren ben ik samen met Marjolein, een vriendin en tevens oud-klasgenoot van de middelbare school, naar de Open Dag geweest van het gymnasium waar wij elkaar ooit leerden kennen. Overigens deden we dat niet omdat we heimwee hadden, het bevalt ons prima op de universiteit! We gingen langs omdat onze middelbare school een paar jaar geleden grondig is verbouwd en omdat ik het nieuwe pand nog nooit had gezien. Gisteren organiseerde de school haar jaarlijkse Open Dag voor aankomende leerlingen en dat leek ons het ideale moment om het gebouw alsnog te bekijken.

Stiekem was het gisteren voor mij toch wel een beetje een spannende dag. Ik had er echt geen idee van hoe het nieuwe pand eruit zou zien, maar het oude uiterlijk van de school stond nog altijd scherp in mijn geheugen gegrift. Vroeger bestond de school uit twee gebouwen: een ‘oudbouw’ van ruim 100 jaar oud waar het gymnasium ooit in was begonnen als private kostschool en een ‘nieuwbouw’ die in de jaren tachtig was bijgebouwd om het alsmaar groeiende aantal leerlingen te kunnen blijven huisvesten. De twee panden werden gescheiden door een schoolplein dat was ingelegd met verschillende soorten tegels en dat een grote boom als middelpunt had.

Toen ik met Marjolein het schoolplein opliep, zagen we echter al in één oogopslag dat er van dat oude bouwplan niet veel meer over is. De boom is weg, het schoolplein bestaat uit identieke tegels en waar ooit de nieuwbouw stond, ligt nu een lap braakland. Ongewild moest ik toch even slikken. “Weet je,” zei ik tegen Marjolein, “Dat ze mijn basisschool én mijn middelbare school volledig hebben verbouwd is één ding, maar dit gaat wel heel ver…” Hierop moest Marjolein lachen: “Het kan erger. Ik heb op twee basisscholen gezeten en die zijn allebei platgegooid. De helft van mijn middelbare school is nu dus blijkbaar ook gesloopt en de bouwkunde faculteit in Delft waar ik ooit studeerde is afgebrand. Dus.” Na het horen van die woorden kon ik gelukkig weer (heel hard) lachen.

We haastten ons naar binnen, in de hoop dat er daar nog wel iets herkenbaars te ontdekken viel. Gelukkig voor ons bleek dat het geval te zijn. Al vrij snel na binnenkomst liepen we, ergens halverwege een discussie over de vraag of we nu wel of niet in de voormalige mediatheek stonden, tegen onze oude leraar Latijn aan. Grappig genoeg herkende hij ons direct. We maakten een kort praatje met hem en ik scoorde zelfs nog populariteitspunten met de mededeling dat ik onlangs vijf euro had verdiend door te wedden dat ik het rijtje van ‘servus’ nog uit mijn hoofd kende. Nadat we hem gedag hadden gezegd, ontmoetten we al snel onze oud-leraren frans, duits en engels. Bovendien kwamen we in een halflege hal ook Sinterklaas (buiten December werkzaam als aardrijkskunde-docent) tegen en ontdekten we in de kantine zowaar een koffiejuf die ons nog herkende van al die jaren geleden. Door de gesprekken met deze mensen, kwamen veel haast-vergeten herinneringen weer boven en werd de Open Dag een echte trip down memory lane.

Toch was het bezoek aan onze oude middelbare school niet uitsluitend een feest van herkenning; het was tegelijkertijd ook een erg desoriënterend bezoek. Het pand dat wij ooit kenden als de ‘oudbouw’ is namelijk zo enorm verbouwd dat het voor ons bijna onherkenbaar is geworden. Het kostte Marjolein en mij dan ook de grootste moeite om te kunnen achterhalen waar we ons volgens het oude bouwplan eigenlijk bevonden. We konden ons vaak slechts oriënteren aan de hand van een raamkozijn, een aantal typische bakstenen of een trap. Daardoor ben ik uiteindelijk weggegaan met een lichtelijk gemengd gevoel. Ik weet nu dat mijn middelbare school er nog altijd is, maar dat het op de één of andere manier stiekem niet meer echt ‘mijn’ middelbare school is. Daarvoor heeft de modernisatie te hard toegeslagen. Overigens hoeft dat niet per se een negatief iets te zijn. Voor het oude gymnasium is immers een mooie, nieuwe school in de plaats gekomen.

zaterdag 22 januari 2011

Daar Kun Je Op Rekenen (2)

Vorige week heb ik een blog geschreven over het feit dat ik niet goed kan rekenen. Ik heb me in die tekst vooral bezig gehouden met de gevolgen van mijn ondermaatse rekencapaciteiten en heb het onderwerp ‘oorzaken’ wegens ruimtegebrek achterwege gelaten. Toch is er ook over die oorzaken een interessant verhaal te vertellen, al is het maar omdat eigenlijk niemand 100% zeker weet hoe rekenproblemen als die van mij nu eigenlijk ontstaan en omdat er al jarenlang een verhitte discussie over het onderwerp woedt. Eerlijk gezegd heb ik nooit de moeite genomen om die discussie echt tot in de kleinste details uit te pluizen, maar van alle WMEM-ers (Wetenschappers Met Een Mening) wiens argumenten ik wél heb gelezen, heeft de discalculie-groep de meeste indruk op mij gemaakt. De leden van deze wetenschappelijke beweging verkondigen namelijk dat er niet alleen woordblindheid (dyslexie) bestaat, maar ook cijferblindheid (dyscalculie). Aangezien ik uit een familie kom waarin opvallend veel mensen last hebben van woordblindheid, leek het mij aanvankelijk best logisch dat ik de cijfervariant van die aandoening had.

Sinds ik in Nijmegen studeer, ben ik echter steeds meer aan dat idee gaan twijfelen. Tijdens mijn studie heb ik namelijk veel geleerd over de taalkunde, de wetenschap die zich bezighoudt met het hoe en waarom van taal. Zodoende weet ik nu dat taal véél meer is dan alleen maar vlug eventjes wat woorden uitkramen. Voordat wij een boodschap kunnen uitspreken, moeten wij eerst nagaan hoe de onderliggende structuur van onze taal eruit ziet en hoe die taalstructuur de formulering van onze boodschap beïnvloedt. Het nalopen van de onderliggende structuur gebeurt gelukkig grotendeels onbewust: als sprekers merken we er dus niks van. Toch is het uitermate belangrijk dat we telkens weer diezelfde taalstructuur gebruiken, want zodra we er ook maar een klein beetje van afwijken, komen er dingen uit onze mond die niet kloppen. Hoe vaker ik in mijn colleges te maken kreeg met het idee van ‘de onderliggende en allesbepalende taalstructuur,’ hoe meer ik ging twijfelen of ik nu wel echt dyscalculie heb of niet. Als ik heel kritisch naar mijn manier van rekenen kijk, zou het immers zomaar kunnen zijn dat er niks mis is met mijn hersens, maar dat ik als kind de onderliggende taalstructuur van het Nederlands gewoon niet helemaal goed heb aangeleerd.

De Nederlandse taalstructuur voor cijfers is, vergeleken met andere talen, een beetje vreemd. Neem nu bijvoorbeeld het getal 34. Wanneer we dit opschrijven, noteren we eerst een drie en vervolgens een vier: 3-4. Wanneer we het uitspreken, draaien we die volgorde echter om. In het woord ‘vierendertig’ vernoemen wij éérst de vier en pas daarna de drie: 4-3. Ik ben me weliswaar bewust van deze tegenstelling tussen schrift en spraak, maar desondanks kan mijn hoofd de twee manieren van cijfers benoemen niet duidelijk scheiden en heb ik de onbedwingbare neiging om precies datgene op te schrijven wat ik zeg. Wanneer ik bijvoorbeeld het woord ‘vierendertig’ hoor, zegt mijn taalgevoel mij dat ik eerst een 4 (‘vier…’) en dan een 3 (‘…endertig’) moet opschrijven. Dat ik op die manier in werkelijkheid het getal ‘43’ noteer, heb ik vaak niet eens door. Zelfs teruglezen helpt me niet uit de brand, want ik maak dan gewoon nog een keer dezelfde fout: ik hoor ‘vierendertig’, ik zie 4-3 en ik ga vervolgens doodleuk door naar het volgende getal op mijn lijstje.

Wanneer ik mijn problemen met getallen analyseer, kom ik deze taalkundige denkfout steeds weer tegen. Bij het hoofdrekenen, bij het cijferen, bij het intoetsen of opschrijven van telefoonnummers en zelfs bij het instellen van mijn digitale wekker (half 8 is uiteraard 8:30). Ik kan me daardoor niet aan de indruk onttrekken dat ik, als klein meisje, ooit per abuis een taal-structurerende regel heb aangeleerd die niet geldt voor het Nederlands, namelijk de regel dat getallen moeten worden uitgeschreven in dezelfde volgorde waarin ze worden uitgesproken. Maar ja, hoe logisch deze taalstructuur-theorie mij ook in de oren klinkt, ik beschik niet over de middelen of de kennis om haar hard te maken. In dat opzicht ben ik dus eigenlijk ook maar een eenvoudige Wetenschapper Met Een Mening…

vrijdag 21 januari 2011

Tentamens

Jaaaaaaaaaaaaaaaaaaa!!! Ze zitten er weer op! Gisteren heb ik mijn laatste tentamen van deze toetsperiode gemaakt. Dat betekent dat ik nu eindelijk weer tijd heb om mijn alledaagse 'avonturen' om te zetten naar weblog-teksten. En dat is eigenlijk maar goed ook, want ik heb in de tussentijd weer een hoop meegemaakt. Zo heb ik onlangs een strijd op leven of verzuipen moeten leveren met de douche, heeft het liedje uit Ciske de Rat 'zo verdomd alleen' een nieuwe betekenis gekregen en ben ik tot de conclusie gekomen dat de wereld soms echt nergens op slaat.

Eens zien of ik in de komende tijd een inhaalslag(je) kan slaan.

zondag 16 januari 2011

Daar Kun Je Op Rekenen

Niemand is perfect. Ik ook niet, al zou ik op deze weblog natuurlijk liever kei hard beweren dat ik compleet volmaakt ben. Maar ja, ik weet nu al zeker dat ik, als ik zoiets dergelijks in een blogtekst zou schrijven, door minimaal drie personen op uiterst niet-subtiele wijze uit de droom zou worden geholpen middels een mail, een sms of een poedersuikerbrief. Daarom begin ik er ook maar niet aan. Het is veel verstandiger me aan de simpele waarheid te houden: ik ben niet perfect en heb net als ieder ander zo mijn sterke en zwakke punten. Een pluspunt van mij (althans, dat vind ik zelf) is dat ik over het algemeen goed uit de voeten kan met het geschreven woord. Een groot nadeel van mij is dat ik absoluut niks kan met cijfers, in wat voor vorm dan ook.

Het is een probleem dat mij al mijn hele leven achtervolgt. Al op de basisschool had ik grote moeilijkheden met getallen. Cijferen, hoofdrekenen, ik snapte er eigenlijk niks van. Sommige mensen zal het wellicht verbazen aangezien ik op de universiteit onbedoeld de reputatie van een straight A student heb opgebouwd, maar op de basisschool was ik eerlijk gezegd al dolblij als ik voor mijn rekenwerk een vier had gehaald. Vaak kreeg ik mijn blaadje namelijk terug zonder cijfer en had de meester alleen het woord ‘onvoldoende’ in de rechterbovenhoek geschreven. Dat was zijn verkapt vriendelijke manier om me te zeggen dat mijn huiswerk niet eens een vier waard was. Mijn rekenkundige onvermogen dreef me dan ook vaak tot wanhoop. Van groep drie tot en met groep acht heb ik zowel thuis als op school bijles gehad, maar het maken van die honderden extra sommen heeft eigenlijk nooit echt mogen baten. Ik geloof dat ik ooit één keer per abuis een vijf gemiddeld heb gestaan voor cijferen, maar dat was dan ook wel het hoogtepunt.

Overigens wil ik niet de indruk wekken dat mijn rekenkundige capaciteiten op de basisschool alleen maar kommer en kwel waren. Soms waren ze ook buitengewoon geestig. Het meest hilarische voorval dat is voortgekomen uit mijn slechte rekenvermogen is mijn Cito-toets-uitslag. Als ik het me goed herinner, stond er op het eerste blad van mijn uitslagrapport dat ik een totale score had behaald van 547 punten. Op een schaal die loopt van 501 tot 550 was dat meer dan voldoende voor een VWO-aanbeveling, dus tot hier niks bijzonders. De grap zat hem echter in de tweede pagina, waarin de opbouw van mijn 547-punten-score werd toegelicht. Ik had over de hele toets verdeeld 22 fouten gemaakt: één bij wereldoriëntatie, twee bij taal en NEGENTIEN bij rekenen. Ik had het hem geflikt om tegelijkertijd tot de allerbeste én de allerslechtste leerlingen van Nederland te behoren! Dat vind ik zelfs vandaag de dag nog altijd een prachtige prestatie van mezelf, haha.

Inmiddels valt mijn rekenprobleem gelukkig niet meer zo op, voornamelijk omdat ik mij sinds de middelbare school mag verdedigen met het enige wapen dat ooit is uitgevonden voor de rekenonkundigen van deze wereld: de rekenmachine. Met dank aan mijn trouwe zakjapanner weet ik mij tegenwoordig relatief onopvallend uit lastige situaties te redden en geloof me, daar ben ik ontzettend blij mee! Ik sta nu een stuk minder vaak voor paal dan vroeger! Al neemt dat natuurlijk niet weg dat het rekenprobleem zelf nog altijd bestaat. Zelfs wanneer ik een rekenmachine gebruik, moet ik dus enorm voorzichtig blijven, want voor ik het weet heb ik weer eens een getal achterstevoren ingevoerd. Het is lastig uit te leggen, maar het verschil tussen bijvoorbeeld ‘34’ en ‘43’ is voor mijn hoofd bijna onmogelijk te snappen. Misschien dat ik de kern van het probleem (of in ieder geval mijn theorie daarover) binnenkort nog wel eens op papier zal proberen te zetten, maar niet vandaag. Ik moet nu eerst zorgen dat ik het papierwerk voor mijn eerstvolgende tentamen op orde krijg. Het lijkt er namelijk op dat ik mij bij het maken van de index-tabel ergens heb verteld.

Het zal ook eens niet…

zondag 9 januari 2011

Aapjes

“Ja sorry, maar dat is dus echt wel zwaar min vijf aapjes.”

Kent hier iemand nog Waku Waku? Dat spelprogramma van de publieke omroep uit de jaren negentig waarin bekende Nederlanders vragen over dieren beantwoordden in een poging geld bij elkaar te spelen voor een goed doel. Meestal de dierenambulance. Of het Wereld Natuur Fonds. Een enkeling zette zich in voor de zeehondencrèche in Pieterburen, maar daarmee was de goede-doelen-die-iets-met-dieren-doen-koek toch echt op. Inmiddels is Waku Waku al een tijdje niet meer op televisie en mijn herinneringen aan het spel zijn in de tussentijd dan ook een tikkeltje vervaagd. Wat mij echter nog wel kraakhelder is bijgebleven, is de manier waarop de puntentelling werd bijgehouden: per goed beantwoordde vraag, kregen kandidaten een pluche aapje voor op hun desk.

Ik had als kind nooit kunnen denken dat  die opgezette Waku Waku-aapjes ooit nog eens een belangrijke rol zouden gaan spelen in mijn leven. Het is een ingewikkeld verhaal om uit te leggen, maar laat ik het zo zeggen: eigenlijk is het allemaal de schuld van Marlies en Gerda, twee van mijn favoriete partners in crime. Het daverende duo dat destijds nog uit Zwolle kwam, was afgelopen November op de terugweg van een dagje Efteling in een melig gesprek verzeild geraakt. Hoe het zo ver kon komen is mij nooit helemaal duidelijk geworden, maar ergens in de loop van dat gesprek kregen Gerda en Marlies behoefte aan een ‘mechanisme dat op wiskundige wijze aantoont of  bepaalde handelingen en gebeurtenissen nu positief of juist negatief zijn’.

Of in iets duidelijkere termen: "Wat is jouw lievelingskleur?" "Eh... groen." "Fout. Jouw lievelingskleur is blauw. Dat is dan min drie aapjes!"

Waar het idee van de aapjes vandaan is gekomen, mag Joost weten. Ik vermoed dat er ergens in de hoofden van Gerda en Marlies op wonderbaarlijke wijze een piepklein, oud deurtje is open gegaan en dat de herinnering aan Waku Waku heeft kunnen ontsnappen uit het stoffige opberghok dat erachter lag. Maar ach, eigenlijk is het ook helemaal niet belangrijk waarom de opmerking over aapjes is gemaakt. Het enige dat écht telt is dat de opmerking is gemaakt. De beer (lees: aap) is nu los en de kolonie van bavianen, gorilla’s of wat voor apensoort het ook mag zijn, breidt zich in schrikbarend tempo uit. Het omzetten van een mening in aapjes is namelijk een vrij verslavende activiteit gebleken. Vrijwel iedereen (ik dus ook) die hoort van de aapjes gaat het binnen een etmaal zelf ook doen. Voordat je er erg in hebt, rolt dagelijks de halve Apenheul uit je mond!

Te laat opgestaan? Min vijf aapjes voor je wekker. Het is lekker warm buiten? Plus vijf aapjes voor het weer. Je eten aan laten branden? Min vijf aapjes voor jezelf. De trein heeft vertraging? Min vijfhonderd aapjes voor de NS, want het moet nu maar eens afgelopen zijn met dat gezeik over blaadjes op de rails. De herfst is allang voorbij! 

Ik heb de vooruitzichten van het KNMI eerlijk gezegd nog niet bekeken, maar ik ben een beetje bang dat het rotweer gaat worden. Ik vrees namelijk dat het de komende tijd op veel plaatsen aapjes gaat regenen. Marlies is vorige week verhuisd naar Utrecht, dus het zal wel niet lang duren voordat men haar daar gaat na-apen en zelf ook over aapjes begint. Gerda woont inmiddels in Antwerpen: met de internationale ‘aapkes’ zit het dus ook wel goed. En ik heb nu een blog geschreven over aapjes. Het is nu slechts nog een kwestie van tijd voordat deze (vooruit, laten we eerlijk zijn) toch wel een beetje trieste rage zich over de digitale wereld gaat verspreiden...

Echt wel min tien aapjes voor mij.

donderdag 6 januari 2011

Recensie #1 "The Man in the White Suit"

Ik lees ontzettend graag en veel, maar sinds ik in Nijmegen studeer kom ik helaas vrijwel uitsluitend aan mijn favoriete hobby toe wanneer het leesboek in kwestie is opgegeven als huiswerk voor een literatuur- of cultuur cursus. Ondanks de schooldrukte heb ik tussen kerst en oudjaar echter toch een gaatje weten te vinden om eindelijk weer eens een boek te lezen! Tijd dus voor een recensie.

Gi-ga-gegevens
Titel: The Man in the White Suit
Auteur: Ben Collins
Uitgever: HarperCollins
Jaar: 2010
ISBN: 978-0-00-732796-6
Taal: Engels

Vi-va-verhaallijn
Wie wel eens naar het autoprogramma Top Gear kijkt, kent ongetwijfeld de ‘getemde’ autocoureur genaamd The Stig die verantwoordelijk is voor het testen van de wagens die in de show worden getoond. The Stig is een mysterieus figuur, die nooit hardop spreekt en uitsluitend gekleed in een witte overall en een geblindeerde helm in het openbaar verschijnt. Zeven jaar lang wist niemand wie The Stig speelde, maar in 2010 had de man in het witte pak genoeg van zijn dubbelleven. Hij maakte zichzelf bekend als Ben Collins, voormalig F3-coureur, en schreef een boek over zijn geheime carrière als The Stig. Hij deed dit overigens tot groot ongenoegen van de producenten van Top Gear, die door de publicatie van het boek op zoek moesten gaan naar een nieuwe gemaskerde autocoureur.

Pi-pa-positieve punten
Als je fan bent van Top Gear, is het boek een absolute aanrader. Het staat vol met grappige achter-de-schermen verhalen over het autoprogramma en de productie daarvan. Ook geven de verschillende anekdotes een mooi beeld van hoe moeilijk het af en toe is om een show als Top Gear in elkaar te zetten, zeker wanneer je als tv-crew de opdracht krijgt om een achtervolging met sportwagens te filmen in een overdekt winkelcentrum. Wat ook interessant is aan dit boek, zijn de passages waarin Collins tot in de details beschrijft hoe hij een auto bestuurt. Binnen enkele bladzijden begrijp je precies waarom hij autocoureur is en jij niet.

Ni-na-negatieve punten
Collins is een autocoureur en geen auteur. Hoewel de verhalen die hij verteld stuk voor stuk interessant zijn om te lezen, is het van meet af aan duidelijk dat zijn schrijfervaring beperkt is. Als gevolg daarvan heeft het boek weinig inhoudelijke structuur. De anekdotes volgen elkaar in een razend tempo op, waardoor Collins nog wel eens vergeet een overgang van verhaal A naar verhaal B te maken. Daarnaast is het niet altijd duidelijk waarom bepaalde verhalen nu eigenlijk samen in één hoofdstuk worden gebundeld, noemt Collins vrijwel nooit data en illustreert hij zijn schrijfsels met een reeks foto’s die niks te maken lijken te hebben met de verhalen uit zijn boek. Wie dit werk leest, moet dus ten alle tijden goed het hoofd erbij houden.

Mi-ma-mijn conclusie
Vooraf was ik enigszins sceptisch. Ik was het aanvankelijk eens met het productie-team van Top Gear: het boek van The Stig had eigenlijk niet gepubliceerd mogen worden. Pas toen ik het boek las, ging ik de zaak van de andere kant bekijken. The Stig zijn, is niet zomaar een bijbaantje. Wie The Stig speelt, gaat door het leven als een gemotoriseerde Dr Jackall en Mr Hyde. Collins mocht met niemand praten over zijn werk als The Stig, zelfs niet met zijn directe familie. Daarnaast had het werk voor hem een dubbele lading, aangezien de hele wereld haar deuren opende voor The Stig, maar vrijwel niemand zich interesseerde voor de al enige tijd werkloze autocoureur Ben Collins. Het lijkt me buitengewoon zwaar om dat dubbelleven vol te houden, zeker gedurende de afgelopen twee jaar waarin de media een klopjacht op Collins was begonnen. Al met al ben ik dan ook blij dat ik het boek gelezen heb. Ik heb nu namelijk meer begrip voor Collins’ besluit om zijn verhaal tóch te publiceren, ondanks alle kritiek die hij over zich heen kreeg.

Si-sa-surf ook eens naar

maandag 3 januari 2011

Foto van de Maand: Januari 2011


Ik heb het in het verleden al vaker gezegd, maar ik ben persoonlijk niet zo’n fan van sneeuw. Dat komt voornamelijk omdat ik ooit , ergens in mijn jeugd denk ik zo, het bijzondere talent ontwikkeld heb om overal en altijd op de meeste bizarre, onwaarschijnlijke manieren snoeihard onderuit te kunnen gaan. Op de één of andere manier weet ik telkens weer feilloos mijn voeten neer te zetten op precies die plaatsen waar geen sneeuw ligt, maar ijs. Stap. Schuif. Woesj. Bonk. Potve#@$*&!!!! Gelukkig overleef ik mijn valpartijen over het algemeen wel zonder kleerscheuren en botbreuken. In de regel blijft het bij blauwe knieën, schenen, armen of billen. Het hangt er een beetje vanaf welk lichaamsdeel dient als landingsgestel.

De afgelopen paar weken is er in Nederland een enorm pak sneeuw gevallen. Vooral de Zuidelijke provincies werden zwaar getroffen. Op het hoogtepunt (of ‘dieptepunt’, het is maar hoe je het bekijkt) lag er bij ons in het dorp zelfs bijna 25 centimeter sneeuw! Voor mij, als menselijke sneeuwschuiver, was dat een ware ramp. Door mijn ervaringen uit het verleden, word tegenwoordig al bang om te vallen zodra ik het eerste sneeuwvlokje naar beneden zie dwarrelen. Dat is eigenlijk helemaal niet handig, want zoals iedereen weet zijn het juist de bange mensen die als eerste en/of het hardste op hun snufferd gaan. Met alle gevolgen van dien. Uit voorzorg bleef ik de afgelopen tijd daarom ook het liefst zo veel mogelijk binnen, maar soms ontkwam ik er gewoon niet aan.

Zo waagde ik mij op een donderdag middag, gewapend met heuse sneeuwboots, noodgedwongen op straat om een aantal kerstkaarten op de post te doen. De wandeling naar de brievenbus bedroeg hoogstens vierhonderd meter, maar voor mij voelde het aan als een ware Noordpool expeditie. Schuivend en glijdend probeerde ik mij door de besneeuwde straten van Vorstenbosch te verplaatsen. De heenweg ging op zich nog wel aardig. De terugreis niet. Met dank aan de sneeuw zag ik een stoeprand niet aankomen, struikelde er nogal lomp overheen en viel voorover in de witte smurrie. Een auto die juist passeerde, toeterde geamuseerd. Dank u. Dat had ik net nodig, meneer.

Ondanks het feit dat ik niet zo goed overweg kan met sneeuw, is de Foto van deze Maand echter toch een winters kiekje geworden. Ik heb even getwijfeld of ik het zou doen of niet (ik moet er nu namelijk wel dertig hele dagen tegenaan gaan zitten kijken), maar na lang wikken en wegen ben ik tot de conclusie gekomen dat ik domweg niet om de sneeuw heen kan. De afgelopen maand legde het witte spul meerdere keren half Nederland plat en als ik het weerbericht moet geloven, kan dat volgende week zomaar wéér gebeuren. In een poging actueel te zijn, geef ik jullie deze maand daarom met lichte tegenzin een kijkje in het winter wonderland van Vorstenbosch. En okay, vooruit, ik heb deze foto ook gekozen omdat ik hem stiekem toch ook wel heel erg mooi vind. (Al blijft het natuurlijk eindeloos jammer dat sneeuw in werkelijkheid nooit zo mooi is als op de foto, haha!)

Foto is gemaakt door Harry Michiels.