Ik wil voor alle duidelijkheid even de volgende twee dingen kwijt. Punt één: ik ben geen junk. Punt twee: ik ben geen moordenaar. Het probleem is alleen dat als de politie hier nu binnen zou stormen ze me zeer waarschijnlijk niet zou geloven.
Momenteel bevind ik mij namelijk op mijn bureaustoel, aan mijn bureau, in mijn kantoor annex slaapkamer, alwaar ik ben omgeven door boeken, papieren, pennen en blocnotes, maar ook een doos omgevallen injectienaalden, per stuk 6 centimeter lang en fel glanzend in het TL-licht, een kistje glazen injectieampullen, en bloed. Heel veel bloed. Het ligt in dikke druppels op de plastic tapijtbeschermer onder mijn bureaustoel. Het zit in grote vlekken op de eens zo wonderschoon lichtblauwe handdoek op mijn schoot. Naast mijn computer liggen meerdere pleisters die zó zijn volgezogen met adervocht dat ze letterlijk en figuurlijk bloedrood gekleurd zijn. Op de rand van het bureaublad zit een dikke bruine veeg. Als ik goed kijk zie ik de donkere cirkels in mijn zwarte maillot zitten. Er zitten spettertjes op mijn witte sokken en onder zes van mijn tien nagels prijkt een rood regenboogje.
Het is nog niet helemaal goed ingezonken hoe het zo ver heeft kunnen komen. Het ging allemaal zo verschrikkelijk snel! Het ene moment was ik rustig bezig met het zetten van mijn maandelijkse injectie, het andere niet meer. Ik duwde de naald in mijn been zoals de huisartsassistente mij dat ooit geleerd heeft, ik voerde alle veiligheidstesten uit en ik begon heel rustig met het injecteren van de medicatie. Het deed niet eens pijn, want ik ben hier de afgelopen tien jaar erg handig in geworden. Feitelijk ging alles dus zoals ik dat gewend ben. Toen ik de naald uit mijn bovenbeen haalde, moet er echter toch iets mis zijn gegaan.
Waarschijnlijk heb ik per ongeluk een adertje geraakt, want zodra de naald vrij was van mijn vlees gutste het bloed ineens uit mijn bovenbeen. In paniek plakte ik een pleister op de wond, maar dat mocht niet baten. De zondvloed hou je immers ook niet tegen met een dweiltje. Snel verwijderde ik de pleister, waarbij de bloedspetters op de grond kletsten. De tweede pleister bleek net zo zinloos als de eerste en tegen de tijd dat ik ook de derde pleister van de wond haalde (ik moet zoiets gedacht hebben als ‘de aanhouder wint’??) stroomde het bloed al in vijf straaltjes langs mijn been naar beneden. Om mijn sokken bloedvrij te kunnen houden gooide ik mijn been omhoog. Mijn bovenbeen raakte daarbij het bureau en liet een dikke smeer achter op de rand van het schrijfblad.
In paniek drukte ik het enige stoffen object dat in mijn handbereik lag, een van mijn moeders bijna heilige lichtblauwe handdoeken, op de wond. Het dikke badstof nam de rode zee feilloos op. Zeker een halve minuut lang zag ik de bloedvlek in de handdoek groeien. Pas daarna kwam de wond tot rust. Na nog zeker vijf minuten extra druk te hebben uitgeoefend op mijn bovenbeen – je weet immers nooit! – durfde ik de handdoek pas op te tillen. Met verbazing keek ik naar mijn been. Het vel was brandschoon. Waarschijnlijk was al het bloed opgenomen door de handdoek. En de wond? Ik had verwacht dat die minstens een centimeter moest zijn, gezien de hoeveelheid rode smurrie die er uit was gespoten. Maar tot mijn verbazing kon ik de wond niet eens meer zien. Er was alleen maar egaal vel. Verder niets.
Uit principiële overwegingen heb ik toch maar een pleister op mijn bovenbeen geplakt, maar of die ook daadwerkelijk op de plek van de wond zit? Ik durf het niet met zekerheid te zeggen. Een sneuer einde kon dit spectaculaire bloedbad eigenlijk niet hebben.
Momenteel bevind ik mij namelijk op mijn bureaustoel, aan mijn bureau, in mijn kantoor annex slaapkamer, alwaar ik ben omgeven door boeken, papieren, pennen en blocnotes, maar ook een doos omgevallen injectienaalden, per stuk 6 centimeter lang en fel glanzend in het TL-licht, een kistje glazen injectieampullen, en bloed. Heel veel bloed. Het ligt in dikke druppels op de plastic tapijtbeschermer onder mijn bureaustoel. Het zit in grote vlekken op de eens zo wonderschoon lichtblauwe handdoek op mijn schoot. Naast mijn computer liggen meerdere pleisters die zó zijn volgezogen met adervocht dat ze letterlijk en figuurlijk bloedrood gekleurd zijn. Op de rand van het bureaublad zit een dikke bruine veeg. Als ik goed kijk zie ik de donkere cirkels in mijn zwarte maillot zitten. Er zitten spettertjes op mijn witte sokken en onder zes van mijn tien nagels prijkt een rood regenboogje.
Het is nog niet helemaal goed ingezonken hoe het zo ver heeft kunnen komen. Het ging allemaal zo verschrikkelijk snel! Het ene moment was ik rustig bezig met het zetten van mijn maandelijkse injectie, het andere niet meer. Ik duwde de naald in mijn been zoals de huisartsassistente mij dat ooit geleerd heeft, ik voerde alle veiligheidstesten uit en ik begon heel rustig met het injecteren van de medicatie. Het deed niet eens pijn, want ik ben hier de afgelopen tien jaar erg handig in geworden. Feitelijk ging alles dus zoals ik dat gewend ben. Toen ik de naald uit mijn bovenbeen haalde, moet er echter toch iets mis zijn gegaan.
Waarschijnlijk heb ik per ongeluk een adertje geraakt, want zodra de naald vrij was van mijn vlees gutste het bloed ineens uit mijn bovenbeen. In paniek plakte ik een pleister op de wond, maar dat mocht niet baten. De zondvloed hou je immers ook niet tegen met een dweiltje. Snel verwijderde ik de pleister, waarbij de bloedspetters op de grond kletsten. De tweede pleister bleek net zo zinloos als de eerste en tegen de tijd dat ik ook de derde pleister van de wond haalde (ik moet zoiets gedacht hebben als ‘de aanhouder wint’??) stroomde het bloed al in vijf straaltjes langs mijn been naar beneden. Om mijn sokken bloedvrij te kunnen houden gooide ik mijn been omhoog. Mijn bovenbeen raakte daarbij het bureau en liet een dikke smeer achter op de rand van het schrijfblad.
In paniek drukte ik het enige stoffen object dat in mijn handbereik lag, een van mijn moeders bijna heilige lichtblauwe handdoeken, op de wond. Het dikke badstof nam de rode zee feilloos op. Zeker een halve minuut lang zag ik de bloedvlek in de handdoek groeien. Pas daarna kwam de wond tot rust. Na nog zeker vijf minuten extra druk te hebben uitgeoefend op mijn bovenbeen – je weet immers nooit! – durfde ik de handdoek pas op te tillen. Met verbazing keek ik naar mijn been. Het vel was brandschoon. Waarschijnlijk was al het bloed opgenomen door de handdoek. En de wond? Ik had verwacht dat die minstens een centimeter moest zijn, gezien de hoeveelheid rode smurrie die er uit was gespoten. Maar tot mijn verbazing kon ik de wond niet eens meer zien. Er was alleen maar egaal vel. Verder niets.
Uit principiële overwegingen heb ik toch maar een pleister op mijn bovenbeen geplakt, maar of die ook daadwerkelijk op de plek van de wond zit? Ik durf het niet met zekerheid te zeggen. Een sneuer einde kon dit spectaculaire bloedbad eigenlijk niet hebben.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten