Gisteren was het bij ons op school ouderavond. Om half 8
kwamen de ouders binnen in de aula, waar ze werden welkom geheten door de
afdelingsleider van de afdeling vwo bovenbouw. De beste man had voor de
gelegenheid een leuk praatje in elkaar gedraaid met daarin onder andere de, wat
mij betreft briljante, zin: “Op de powerpoint ziet u een foto van mij. Voor de
duidelijkheid heb ik vandaag hetzelfde jasje aangetrokken als op de foto, maar
daar heb ik behoorlijk spijt van. HET IS HIER BLOEDHEET.”
Na het welkomstbabbeltje werd alle ouders gevraagd om naar
het lokaal te gaan waarin de mentor van hun zoon of dochter was geïnstalleerd
zodat zij nog wat extra informatie konden beluisteren over jaar-specifieke zaken
die hun kroost dit schooljaar voor de kiezen gaat krijgen. Dat is het gedeelte
van de avond waarbij ikzelf in actie moest komen. Ik ben namelijk ook mentor,
van maar liefst 15 kinderen die dit jaar allemaal vwo5 gaan doen. Het is een
gemengd gezelschap van 13 doorstromers uit vwo4, 1 zittenblijver, 1 overstapper
uit havo5 en 1 overstapper van een andere school. Ik kan het met al die
leerlingen prima vinden en ik zie ze meerdere keren per week, ofwel in de les
ofwel in de gangen.
Dat wil echter niet zeggen dat ik ook raad weet met de
ouders van die leerlingen. Ineens stond ik daar gisteravond. In mijn eentje, in
een klaslokaal waar ik weliswaar goed de weg ken, maar waar ik me met een
selecte groep volwassenen voor mijn neus toch niet echt op mijn gemak voelde. Ik
kan niet goed uitleggen waar dat gespannen gevoel vandaan kwam. Het lag in
ieder geval niet aan de groepsgrootte. Ik ben gewend om voor groepen van 32 tot
35 man te staan, dus dan stelt zo’n clubje van 26 niet veel voor.
Wellicht komt het door het leeftijdsverschil. Al die ouders
zijn minstens tien jaar ouder dan ik en soms zie ik ze bijna letterlijk denken ‘wat
gaat dat broekje ons vandaag weer vertellen?’. (Ik kan er helaas ook niets aan
doen dat ik zo ongeveer de jongste mentor in de afdeling vwo bovenbouw ben. Sorry, ouders.)
Of misschien komt het omdat ze zich zo gemakkelijk kritisch naar mij kunnen
opstellen. Óf misschien is het wel gewoon hun tegenstrijdige herkenbaarheid; in
veel ouders kan ik de gelaatstrekken van mijn leerlingen terug zien en dat
geeft hen iets heel herkenbaars – en dat, ondanks het feit dat ik die mensen
totaal niet ken! Aaah!
Ik heb altijd gedacht dat die tegenstelling een goede basis
zou kunnen vormen voor een horrorfilm. Mmm, een horrorfilm. Het zou natuurlijk
ook kunnen dat het daaraan lag. Dat ik me ongemakkelijk voelde omdat ouders in
hun doen en laten gewoon eng zijn. Ze zijn hoe dan ook een stuk enger dan hun
kinderen, die bij hen vergeleken altijd extreem niet-kritisch en onschuldig
lijken. Nu maar hopen dat de ouders van mijn mentorklas niet dusdanige banden
onderhouden met het horrorgenre dat ik er komend schooljaar ’s nachts op straat
eentje ga tegenkomen met een met bloed doordrenkt keukenmes in de hand. Ik
herhaal: aaah!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten