zaterdag 5 maart 2011

Parkeren

Zodra de deuren van de trein open gaan, komt een koude wind mij tegemoet waaien. Ik trek mijn schouders op en probeer op die manier mijn gezicht zo ver mogelijk in mijn wollen sjaal te verstoppen. Met mijn handen diep in mijn jaszakken gestoken, stap ik met lichte tegenzin de wagon uit en het bijtende winterweer in. In een poging warm te blijven, been ik met grote passen over het perron richting de parkeerplaats, vurig hopend dat de gesloten slagbomen die mij nu nog de weg naar mijn auto blokkeren weer geopend zullen zijn tegen de tijd dat ik ze heb bereikt.

Uiteraard zijn ze dat niet. De conducteur heeft er vandaag extra lang werk mee om zijn passagiers te laten instappen en te controleren of er niet nog ergens iemand stiekem met de benen buiten boord hangt. Pas nadat ik een eeuwigheid heb staan koukleumen voor de gesloten spoorwegovergang, blaast de beste man op zijn fluitje – en daarna duurt het uiteraard nóg een dikke minuut voordat alle deuren zijn gesloten, de machinist het gaspedaal heeft gevonden en de trein in haar volledigheid ‘mijn’ spoorwegovergang gepasseerd is. Wanneer de rood-witte slagbomen dan eindelijk omhoog gaan, is mijn lichaamswarmte al voor het grootste deel verdwenen.

Op mijn twee ijsklompen van voeten steek ik, zo snel ik kan, de treinrails over en ren ik op een drafje de parkeerplaats op. Het enige dat ik nu nog wil, is de warmte van de auto-verwarming opzoeken. Weg met de kou, lange leve de hitte! Wanneer ik in de buurt komt van de plaats waar ik mijn auto heb geparkeerd, doorzoek ik met mijn half-verkleumde rechterhand alvast mijn binnenzak. Met enige moeite weet ik daaruit mijn autosleutels tevoorschijn te toveren. Ik glimlach. Nu ik die sleutels eenmaal gevonden heb, laat ik ze niet meer gaan. Ik houd ze stevig in mijn hand geklemd, zodat ik ze direct in het slot kan stoppen zodra ik de auto bereikt heb.

Wacht even, zodra ik de auto bereikt heb…? De auto! Waar is de auto?!

Ik blijf met een schok stil staan. Op de vaste plaats waar ik iedere ochtend mijn auto parkeer, staat nu niets. Helemaal niets. In paniek kijk ik om me heen. Het is al laat op de middag en de meeste mensen zijn al lang en breed naar huis, waardoor het complete parkeervak leger dan leeg is. Het is dus onmogelijk dat ik per ongeluk over de auto heen heb gekeken. Het mag dan ‘slechts’ een Fiatje Punto zijn, maar zelfs zo’n klein autootje kun je niet missen op een verder lege parkeerplaats.

De winterkou ben ik terplekke vergeten. Sterker nog, ik heb het ineens best warm. Mijn hart klopt bovendien in mijn keel en ik weet even niet meer waar ik het zoeken moet. Allerlei vragen schieten door mijn hoofd. Waar is de auto gebleven? Wie heeft hem meegenomen? Hoe kom ik thuis? Of nee, belangrijker nog, hoe vertel ik dit thuis?! Het is technisch gezien niet eens mijn auto, dus hoe gaat mijn moeder reageren als ze hoort dat haar geliefde wagen in rook is opgegaan? En hoe hebben ze de auto in hemelsnaam kunnen stelen? Ik heb de deur toch zeker wel op slot gedaan?!

En dan begint er plotseling ergens achter in mijn hoofd, te midden van de pikzwarte paniek, een piepklein lampje te branden dat een helder licht op de zaak werpt. De stroom van onbeantwoorde vragen droogt behoedzaam op en het dringt langzaam aan tot me door dat het vandaag vrijdag is. Vrijdag. De laatste dag van de werkweek waarop het nooit druk is bij het station en waarop je je auto lekker dicht bij de spoorwegovergang kunt parkeren, zodat je niet zo ver hoeft te lopen naar het perron. Schaapachtig draai ik me om. Een kleine dertig meter terug, zie ik de rode kont van een Fiatje Punto achter een blauwe Opel uitsteken. Ik was er straal aan voorbij gelopen…

Geen opmerkingen:

Een reactie posten